Het wringt bij veel fans. Nederlandse kickboksers vullen grote zalen, maar verdienen vaak veel minder dan topboksers. Het verschil loopt zo ver uiteen dat één grote bokspartij soms meer oplevert dan meerdere titelgevechten in het kickboksen.
Hoe komt dat?
Boksen draait al decennialang op een wereldwijd model. Grote gevechten worden verkocht via pay-per-view en trekken miljoenen kijkers. Sponsors, tv-deals en internationale rechten zorgen voor enorme inkomsten. Voorbeelden zijn Tyson Fury en Anthony Joshua.
Vooral in het zwaargewicht lopen de bedragen snel op. Wereldtitels hebben wereldwijde waarde. Een kampioen vertegenwoordigt niet alleen een organisatie, maar een complete markt.
Kickboksen mist die wereldwijde schaal. Organisaties bouwen op ticketverkoop, streaming en sponsordeals. Dat levert geld op, maar niet op het niveau van de grootste boksevenementen.
Het verschil zit niet in talent of sportieve waarde. Een dominante kickbokskampioen kan net zo indrukwekkend zijn als een bokswereldkampioen. Maar waar meer ogen kijken, stroomt meer geld.
Boksen heeft een bredere internationale basis. De Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en delen van Latijns-Amerika vormen enorme markten. Kickboksen is sterk in Nederland en delen van Azië, maar mist die wereldwijde commerciële slagkracht.
Dat financiële gat verklaart waarom discussies over overstappen blijven terugkeren. Eén commerciële bokspartij kan sporters in één avond financieel vooruithelpen op een manier die in het kickboksen zeldzaam is.
Zolang het publiek en de mediadeals ongelijk verdeeld blijven, blijft ook het geld ongelijk verdeeld. Het verschil is geen toeval. Het is een gevolg van markt, bereik en internationale waarde.
Lees het artikel op de mobiele website