Judo begon niet als sport. Het was een antwoord op het einde van een tijdperk, en op een vraag die niemand durfde te stellen: hoe red je iets dat iedereen afschrijft?
Lang voor judo een naam kreeg, was Japan een land in oorlog. Eeuwenlang vochten samoerai met wapens, maar op het slagveld brak soms een zwaard, of raakte een krijger zijn paard kwijt. Dan bleef alleen het lichaam over. Vanuit die situaties ontstond jiujitsu: technieken om te overleven zonder kracht, met balans, grip en controle.
Elke regio en meester gaf er zijn eigen draai aan. Niet voor sport of eer, maar om in leven te blijven. Toen Japan in de zeventiende eeuw werd verenigd en de oorlogen stopten, veranderde ook de betekenis van gevechtstechniek. Het werd studie, filosofie, zelfbeheersing. Tot het keizerrijk de samoerai afschafte. Opeens waren eeuwenoude technieken verboden, verdacht, en bijna vergeten.
In die verwarring groeide Jigoro Kano op. Fysiek klein, intellectueel groot. Hij werd gepest, maar vond kracht in jiujitsu. Niet om terug te slaan, maar om te begrijpen. Veel technieken waren gevaarlijk, veel scholen vastgeroest. Hij wilde iets nieuws: een leer die niet draait om pijn, maar om karakter. In 1882 opende hij een dojo met twaalf matten en gaf zijn systeem een andere naam: judo. Niet meer alleen de techniek, maar de weg.
Hij schrapte dodelijke grepen en liet zijn leerlingen vrij trainen. Ze versloegen traditionele jiujitsu-vechters in het openbaar. De overheid keek mee, scholen volgden. Wat begon als noodgreep van een eenzame denker werd het officiële leerplan van een natie. En later een Olympische discipline die wereldwijd werd omarmd.
Lees het artikel op de mobiele website