Zweet parelt op jonge voorhoofden. De ochtendzon is nog nauwelijks opgekomen als tientallen kinderen al tien kilometer door het roodbruine stof van Udon Thani rennen. Geen spelletje. Geen luxe. Alleen de hoop om kampioen te worden.
In deze verborgen boksschool in het noordoosten van Thailand is Muay Thai vaak ten onrechte vergeleken met het kickboksen is geen sport. Het is overleven.
Trainer Pio, een legendarische scout die werkte met iconen als Buakaw en Saenchai, bezoekt afgelegen scholen zoals deze om nieuw talent te ontdekken. Maar hij kijkt niet alleen naar techniek. “Om kampioen te worden, moet je discipline hebben,” zegt hij. “Zonder dat, geen toekomst. Geen uitzonderingen.”
De kinderen hier trainen zes dagen per week. Ze slapen boven de ring, eten samen, en leven als een familie. Sommigen hebben al dertig gevechten op hun naam, nog voor ze zestien zijn.
Voor Khunsuek Lek, een van de grote beloften, betekent de ring alles. “Als ik een wereldtitel win, kunnen mijn ouders stoppen met werken,” vertelt hij. “Dan zorg ik voor hen.” Samen met zijn tweelingbroer traint hij dagelijks in de verzengende hitte. Met kamferolie op zijn huid en een zweetpak om gewicht te verliezen.
Hier is pijn geen vijand, maar een metgezel. “Ik stop niet,” zegt een jongen stilletjes. “Zelfs als het pijn doet. Want ik moet mijn familie helpen.”
Khru’s – de leraars – zijn meer dan vechtsport coaches. Ze zijn vaders, broers, mentoren. “We leiden geen vechters op,” zegt één van hen, “we vormen mannen. Met trots. Met respect. Met discipline.”
Dit is de geboortegrond van kampioenen. Maar meer nog: van hoop.
Hier in de schaduw van armoede, tussen versleten bokszakken en gedeelde maaltijden, leren kinderen het grootste gevecht van allemaal: opstaan, elke dag weer, met opgeheven hoofd.
Lees het artikel op de mobiele website