Je hoort het en denkt meteen: dit is geen moderne coach. Maar wat Alexander Lebzyak vertelt, grijpt je. De Olympisch kampioen van 2000 laat zien hoe diep boksgevoel kan gaan – en hoe weinig daar nu nog van over is.
“De beste stoot is die je niet ziet komen,” zegt Lebzyak, terwijl hij een hoek voordoet die tegelijk afweert én aanvalt. Hij herhaalt het ritme keer op keer: verdediging is geen passieve handeling, maar een startpunt.
Vroeger leerde je eerst bewegen, schaduwboksen, reactievermogen. Nu willen jonge boksers meteen slaan, filmpjes maken, iets 'laten zien'. Maar ze missen het fundament.
Lebzyak haalt herinneringen op aan Duitse tegenstanders met betonblokken als dekking. Hij weet nog precies hoe hij faalde, omdat hij het open raam niet kon vinden.
En ook hoe hij later leerde om zijn tegenstander te dwingen fouten te maken. Een tik op de handschoen, een kleine verplaatsing, en dan direct toeslaan. Geen kracht, maar precisie. Geen geweld, maar controle.
Er klinkt niets romantisch aan hoe hij zijn leerlingen coacht. “Ik kijk naar hun voeten, niet naar hun handen,” zegt hij. Hij wil zien of iemand stevig staat, of een jongen in balans is.
Het is werk in millimeters. Hij hamert op discipline, niet op talent. En op herhaling. Duizend keer dezelfde beweging tot hij automatisch komt.
Hij kijkt met respect naar Mike Tyson, maar ook met zorg naar de jeugd. Alles gaat sneller, flitsender, gelikter. Maar waar is de inhoud? Lebzyak laat zien wat boksen ooit was: geen sport van brute kracht, maar van denken, voelen en reageren op het kleinste signaal.
Lees het artikel op de mobiele website