Een klap op de lever en het licht gaat uit. Bas Rutten maakte er zijn handelsmerk van. De Nederlandse pionier draaide gevechten om met één perfect geplaatste stoot of trap.
Rutten werd in de beginjaren van MMA een fenomeen in Japan bij Pancrase en later in de UFC. Terwijl veel vechters vooral op het hoofd mikten, koos hij bewust voor het lichaam. Vooral de lever werd zijn doelwit. Dat leverde knock-outs op die fans nog altijd herinneren.
De lever ligt aan de rechterkant van het lichaam, net onder de ribben. Een harde klap op die plek verstoort de ademhaling en kan het lichaam kortsluiten. Rutten begreep dat als geen ander. Hij viel niet alleen het hoofd aan om het lichaam te openen. Vaak deed hij het omgekeerde.
Hij lokte tegenstanders met stoten naar het hoofd. Zodra hun handen omhoog gingen, volgde de aanval op de lever. Soms met een trap, soms met een stoot. Zijn aanpak was simpel, maar doeltreffend.
Rutten geloofde in kracht. Als zijn eerste slag hard genoeg was, zou de tegenstander niet meer durven terug te slaan. Dat gaf hem ruimte om zijn volgende aanval te plaatsen. Hij vocht niet in slow motion, zei hij zelf. Alles ging snel en met overtuiging.
Wat Rutten bijzonder maakte, was zijn gevoel voor timing. Hij lette op het ademritme van zijn tegenstander. Wanneer iemand inademt, spant het lichaam minder aan. Dat moment gebruikte hij voor een knie of stoot op de lever.
Ook in de clinch bleef hij gevaarlijk. Daar waar anderen vastliepen, vond hij ruimte voor korte knieën. Zijn leverstoten waren geïnspireerd op boksers als Mike Tyson, met veel rotatie uit de heupen voor maximale kracht.
Rutten werd later de vierde UFC-zwaargewichtkampioen. Zijn stijl vormde een basis voor moderne systemen als Bang Muay Thai, dat invloed had op vechters als TJ Dillashaw. Zijn leveraanvallen waren geen toeval, maar een plan.
Decennia na zijn carrière praten fans nog over zijn leverstoten. Bas Rutten liet zien dat slim werken net zo belangrijk is als hard slaan.
Lees het artikel op de mobiele website